Een uitgave van mats bv ©
PRE-PUBEREN
Jaargang IX, 27
Tureluurs worden we ervan. Aan één stuk door zitten de schatjes elkaar in de haren, bekvechten, vitten op elkaar of zijn het tenminste hartgrondig oneens over van alles. Tijdelijk hopelijk, maar van ons mag het per omgaande afgelopen zijn. We zijn het ook niet gewend; afgezien van een enkele verbale knokpartij nu en dan, konden ze het in het algemeen heel goed met elkaar vinden. Dat is over, nu kan er geen zin gesproken worden door de een zonder commentaar van de ander. 'Nee hoor, dat is helemaal niet waar. Dat is niet waar hoor papa, wat hij daar vertelt.'
'Ja hoor, dat zal wel weer.'
'Pappa, zij doet heel flauw.'
'Hij kan zo verschrikkelijk zeuren.' Wij als ouders moeten tegelijkertijd onze woorden op een goudschaaltje wegen. Bij het geringste vermoeden van partijdigheid, krijgt er altijd wel iemand altijd overal de schuld van.
Nou kunnen we ons wel voorstellen dat je af en toe doodmoe wordt van een zusje dat altijd alles beter weet en dat je de zenuwen krijgt van het voortdurende gedram van je kleine broertje, maar toch zijn wij grote voorstanders van het harmonie-model in ons gezin. Goedschiks of kwaadschiks. Het is dan ook zeker niet zo dat wij zelf het slechte voorbeeld geven, wij zijn tenslotte net twaalf en een half jaar getrouwd. En als we af en toe even hoognodig op elkaar moeten vitten, wachten we bij voorkeur totdat de kinderen naar bed zijn.
We kunnen slechts gissen naar de oorzaak.
'Het zou wel eens zo kunnen zijn dat onze dochter al aan het pre-puberen is,' meent mijn vrouw, die dat soort dingen natuurlijk ook niet zelf verzint, maar oppikt uit help-rubrieken in tijdschriften. Dat lijkt me stug. Ik stel me heel veel voor van de puberteit van mijn dochter, mijn dochter kennende, maar ik weiger te geloven dat die al vóór haar negende verjaardag begint.
'Misschien moeten we ook wel wat meer rekening houden met het leeftijdsverschil, zij is tenslotte 14 maanden ouder en hij is eigenlijk nog maar een klein jongetje.'
'Ik word later paleontoloog,' zegt het kleine jongetje zonder noemenswaardige inleiding.
'Wát zeg jij daar,' reageert zijn moeder op de toon van 'wil jij niet zulke vieze woorden zeggen.'
'Hij weet zelf ook niet wat dat betekent, hoor mamma.'
'Dat weet ik heus wel, dan graaf je botten op van een dinosaurus en dan zet je hem in elkaar.' Allemaal weer wat geleerd.
'Ik dacht eigenlijk dat jij fotograaf wilde worden,' meent mijn vrouw zich te herinneren.
'Hij weet helemaal niet wat hij wil worden, hij zegt zo maar wat en hij zegt elke keer wat anders.'
'Ja maar als ik de dinosaurus in elkaar heb gezet, maak ik er een foto van.'
Het wordt stil in huis. Discussie gesloten, discussie gewonnen.
'1-0,' denk ik, maar ik kijk zo neutraal mogelijk in de krant wat er vanavond op televisie is.
