Een uitgave van mats bv ©
PRIVACY
Jaargang XII, 41
Als wij een van de kinderen kwijt zijn, kijken we altijd eerst even in het computerkamertje. De zoon is daar overigens steeds minder te vinden, want die heeft het op een of andere manier voor elkaar gekregen om zijn splinternieuwe en zuurverdiende spelcomputer op de grote tv in de woonkamer aangesloten te krijgen. Als ik achteraf dat moment van verstandsverbijstering probeer te reconstrueren, denk ik dat we gedacht moeten hebben dat we hem zo beter in de gaten kunnen houden. Weinig verheffend wat er aan moordpartijen, oorlogen en dodemansritten op ons grote scherm vertoond wordt via die spelcomputer. En het wordt er niet beter van met het perfecte geluid over vijf boxen. Gelukkig speelt hij ook regelmatig een partijtje voetbal, want dat is, zoals we allemaal weten en elke week op de televisie kunnen zien een edel spel voor sportieve en beschaafde mannen.
Wij sussen onszelf met gedachte dat hij in het echte leven redelijk fanatiek hockeyt, met twee keer trainen per week, tennist, op golfles zit en, jawel hoor, weer naar pianoles gedwongen wordt.
Al met al kunnen we hem meestal wel lokaliseren; aan de hand van het lawaai dat de elektronica om hem heen produceert of omdat we hem zelf ergens hebben afgezet.
Vaker zijn we zijn zus kwijt. Van jongsafaan eigenlijk. Die kruipt weg in een hoekje van de bank met een boek, zolang de plaatselijke bibliotheek nog boeken kan leveren die ze niet gelezen heeft. Of ze verdwijnt naar haar kamer om te prutselen, frutselen of te tekenen. En sinds kort treffen we haar steeds vaker achter de computer. We hebben ons laten vertellen dat sommige vakken van school oefenstof aanbieden via internet. Da’s mooi en modern, maar zeker net zo vaak wordt er ge-MSN-t, of ge-chat. Dat is nieuwerwets kletsen, giebelen en roddelen via de computer met een of meer vrienden en vriendinnen.
Via de tv vraagt de overheid ons af of wij wel weten wat onze kinderen op internet uitspoken.
Even over haar schouder meekijken.
Hoewel ik zelf heel erg modern en van deze tijd ben, valt het niet mee om te zien wat ze uitspoken zelfs als je het ziet. Op het scherm staat een onoverzichtelijke hoeveelheid bewegende poppetjes, hartjes, smiley’s en letters in allerlei vormen en kleuren en groottes. Zinnen bestaan uit kreten als ‘doeiiiiiiii’ , ‘ja duhuh’ en ‘L888en’. Pikken ze blijkbaar allemaal mee op het gymnasium.
‘Ja, doei, papa. Nou kun je wel weer gaan!’
En ik ga ook. Want eigenlijk vind ik dat het langzamerhand tijd wordt om de controle wat te laten varen. Ze mogen wel gewoon af en toe onbespied. Er hoort een wankel evenwicht te ontstaan tussen vertrouwen en voor eigen gemoedsrust niet alles meer willen weten.
Privacy hoort bij groot worden. Als rechtgeaard eigenheimer begrijp ik dat maar al te goed.
Bovendien ben ik handig genoeg met de computer om naderhand een en ander even te checken.
