Een uitgave van mats bv ©

RINGKIKKERS

Jaargang X, 15

Met een achterbank vol jongetjes en één meisje naast me, rijden we naar de tennishal. Zo langzamerhand kan het tennisseizoen buiten weer van start gaan, maar gezien de weersomstandigheden komt het niet slecht uit dat het nog een paar keer binnen is. Tennis-taxi-dienst is helemaal niet vervelend. De jongetjes wonen allemaal dicht in de buurt, staan meestal al achter de voordeur te trappelen als we aan komen rijden en als ze eenmaal op de achterbank zitten, wordt het meestal vanzelf gezellig; los van een enkel orde-probleem nu en dan. Omdat ze toch even niks te doen hebben, komen de sterke verhalen vaak vanzelf. Mijn dochter en ik hebben inmiddels door ervaring geleerd dat de verhalen sterker worden als wij ons er niet mee bemoeien, ook al valt dat lang niet altijd mee.

‘Onze ringslang heeft een baby’tje gekregen.’

Kijk, dat is nog eens een binnenkomer. Aller oren zijn gespitst. Het gemiddelde gezin komt meestal niet verder dan een hond, een kat, en/of een cavia. Een enkele uitslover heeft misschien nog drie kippen en ook zie je nog wel eens een kanarie, parkiet of een konijn, maar dan heb je het wel zo’n beetje gehad. Een ringslang is echt van een andere orde. En deze jongen, Sebastiaan, heeft ook nog eens een paar kikkers. ‘Het moet niet gekker worden,’ denk ik wel eens, maar zoals gezegd, ik zeg niks.

‘O,’ rekent mijn zoon snel uit, dan heb je er nou dus drie.’

In de achteruitkijkspiegel zie ik een groot vraagteken op het gezicht van het reptielen-kwekertje.

‘Nee, hoezo? Gewoon twee, een grote en een kleintje.’

‘Dat kan niet. Als je een baby’tje hebt, moet je ook een vader en een moeder hebben en dat maakt samen dus drie.’ Klinkt logisch. Dochter en ik kijken elkaar eens aan.

‘En toch zijn het er maar twee.’

‘Misschien zijn de vader en moeder gescheiden,’ oppert mijn derde passagier, zelf overigens het kind van zo te zien gewoon gelukkig getrouwde ouders.

‘Of misschien zit er nog eentje in een gat in de vloer,’ bedenkt de trotse slangen-pleegvader. ‘Maar nee, dan zou ik hem toch wel eens hebben gezien.’

‘Zitten ze bij jullie dan binnen?’

‘Nee, natuurlijk niet, dat mag niet van mama, ze zitten gewoon buiten.’

‘Dan moet je zeggen, een gat in de grónd.’

Dat is wel even genoeg wijsneuzerij, spraakverwarring en stof tot nadenken. Op mijn achterbank valt een diepe stilte en even later zijn we al bij de tennishal.

Maar onze zoon houdt niet van open eindes.

En zondagmiddag wil hij het zeker weten: ‘Mama, kunnen kikkers en ringslangen samen ook een baby’tje krijgen?’