Een uitgave van mats bv ©

ROCK 'N' ROLL

Jaargang VIII, 30

Mijn zoon speelt piano. Met de keukenwekker op één kwartier. Dat is dus andersom dan met computerspelletjes. Dan staat de wekker op een half uur, maar loopt hij altijd veel te snel af en lijkt het wel veel korter dan het kwartier van de piano. Mijn vrouw en ik hebben daar nog wel een opvoedkundige discussie over gehad. Ze vroeg zich af of ze zijn talent wel mocht afdwingen.

‘Natuurlijk wel,’ vond ik. ‘Wibi Soeradja, Jan Vayne en Louis van Dijk zijn in het begin ook gewoon gedwongen door hun vader en moeder. Nu zijn ze daar dankbaar voor. Onze zoon later ook. Bovendien hebben we de piano voor een half jaar gehuurd en zo lang houden we dat vol.’ Om mijn mening te onderstrepen, zet ik de wekker op een half uur als ik de kans krijg, waarna zijn moeder steevast na een kwartier zegt dat het zo wel mooi geweest is. Vandaag swingt ’Vader Jacob’ de huiskamer in. De afgelopen weken hebben we met de rechterhand de melodie geoefend, nu doen we met de linkerhand het akkoord, het G-akkoord om precieste zijn. U hoort, ik heb er wel een beetje verstand van. Omdat je niets moet overhaasten, doen we nog niet met twee handen tegelijk; terwijl hij dus met links het akkoord speelt, zingt hij de melodie erbij. Misschien wordt het niks met mijn zoon en de piano, misschien ook wel, maar dit moment, die kraakheldere kinderstem boven de donkere tonen van de piano, zal ik nooit vergeten, daar heb ik geen bandrecorder voor nodig.

Als de kookwekker is afgelopen en de jongen naar boven is vertrokken om zijn kamer op te ruimen, kruipt zijn zus ook even achter de piano. Vrijwillig. Zij krijgt geen les, maar kijkt over de schouder van haar broer mee en heeft blijkbaar ook het lesboek ingezien. Nog een beetje hortend en stotend, maar duidelijk herkenbaar speelt zij ’Jan van Zanten’, met twee handen. Mijn vrouw en ik kijken elkaar eens veelbetekenend aan, maar we onthouden ons van commentaar. Vroeger bij ons thuis was er geen piano, noch bij mijnrouw, noch bij mij. En omdat het tegendeel niet bewezen kan worden, denk ik dat in mijn geval op die manier een talent voor de muziek verloren is gegaan. Soms droom ik zelfs dat het nog niet te laat is, dat die elektrische gitaar in de hoek van mijn werkkamer me nog ooit zal begrijpen. Soms wordt ik ook ruw gewekt uit mijn dromen. Vanavond bijvoorbeeld kom ik mijn gezin een wit jasje showen dat ik in de uitverkoop heb gekocht, maar waarover ik achteraf twijfel, misschien toch iets te hip voor mijn leeftijd.

’Wat vinden jullie?’

’Ja hoor papa, staat je goed,’ zegt mijn zoon, ‘je lijkt precies op die zanger met die gitaar. Hoe heet-ie ook alweer?’

Zijn zus ziet onmiddellijk wie hij bedoelt: ‘Elvis?’