Een uitgave van mats bv ©

ROMANTIEK

Jaargang XI, 45

MATSMILLENNIALS

2/20/20262 min read

‘Ik mag blij zijn dat mijn vader en moeder niet gaan scheiden,’ zegt mijn dochter als we tijdens het avondeten de ellende in de wereld en in onze directe omgeving eens rustig doornemen. Daar is inderdaad voorlopig nog geen zicht op. Het huwelijk bevalt ons en de kinderen hebben het alleen maar beter gemaakt. Dat is geen prestatie, dat is mazzel. We hebben lang moeten zoeken, maar we hebben dan ook gevonden en we zijn niet van plan om het te laten lopen. We kunnen allebei heel goed ruzie maken en mijn vrouw kan het prima weer goed maken. We hebben helemaal niet het idee dat we elke dag moeten knokken voor ons geluk; we zitten juist lekker makkelijk in de wedstrijd. En we hebben nog steeds regelmatig dikke pret met elkaar. We horen vaak dat we het niet als iets vanzelfsprekends mogen zien, maar het vanzelfsprekende is juist het grootste geluk. Zonder achterom te kijken, weten we allebei dat er altijd iemand achter ons staat.

Niet dat we het er nou zo vaak over hebben, maar deze week wel, want we vieren onze trouwdag. 15 jaar inmiddels, me dunkt.

Zoals dat in een genoeglijk huwelijk hoort, hebben we de agenda’s een beetje opgeschoond, een buurjongen ingehuurd om samen met de kinderen naar de tv te kijken en een tafeltje gereserveerd in een restaurant.

‘Ik zei vanmorgen nog tegen een collega,’ zegt mijn vrouw, als we bij gelegenheid de stand van de huwelijkse zaken eens doornemen ‘dat ik niet zou weten wat er nu nog tussen ons zou kunnen komen.’

Oppassen, had die collega gezegd, die natuurlijk ook zo haar eigen ervaringen heeft, want mannen blijven natuurlijk jagers.

‘Dat is natuurlijk waar,’ zeg ik, want ik probeer na al die jaren nog steeds de echte vent uit te hangen. Vanmiddag ben ik na m’n werk nog speciaal een stuk omgereden om een cliché-bos rozen voor haar te kopen. Niet te veel, want volgende week is ze jarig en dan krijgt ze traditioneel een rode roos per jaar en dat begint zo langzamerhand ook aan te tikken.

Ze kijkt me met een scheef lachje aan. Het valt inderdaad niet mee om in mij een jager te zien; een natuurliefhebber ongetwijfeld, maar dan toch eerder in vegetarische zin.

En laten we eerlijk zijn: ik zou het ook eens in mijn hoofd moeten halen.

Tussen de druipkaars en het schaaltje met brood en kruidenboter steekt ze haar hand naar me toe en ik knijp er eens flink in.

‘Ik ben graag met je getrouwd,’ zeg ik.

‘En ik met jou,’ zegt zij.

We toasten op het huwelijk, zij met een glas huiswijn en ik met een biertje, want dat ze me ooit nog eens sjiek aan de wijn krijgt, heeft ze allang opgegeven.

Het zwangert van de romantiek, daar in dat knusse restaurant.

‘Trouwens,’ zegt mijn dierbare echtgenote, ‘ik heb een paar folders meegenomen voor nieuwe kranen in de badkamer. Moet je kijken…’