Een uitgave van mats bv ©

SCHERP

Jaargang XI, 47

‘Kun jij nou verstaan wat ze zeggen?’ vraagt mijn moeder. Ze moet nog flink aanzetten om over het geluid van de tv heen te komen, die snoeihard de kamer in blaast. Zo hard, dat het zelfs mij bijna pijn doet aan de oren en dat wil wat zeggen.

We hebben net smakelijk een overheerlijke pizza verorberd, met een beetje sla voor de excuus-vitaminen. Daarna heeft ze in haar eentje afgewassen. Mijn zussen vinden dat ik dat niet kan maken om haar op haar zeer gezegende oude dag nog helemaal alleen af te laten wassen, maar mijn moeder en ik zijn het al jaren niet anders gewend.

‘Ga jij nou maar lekker naar het voetballen zitten kijken jongen, dan was ik dat beetje even af.’ En het geeft inderdaad nauwelijks afwas, zo’n kant-en-klare pizza uit de supermarkt. Daar hoor ik mijn zussen inmiddels niet meer over. Hoewel zijzelf meer van de voedzame en verantwoorde maaltijden zijn, snappen ze wel dat mijn moeder af en toe ook eens lekker wil snacken.

Mijn vrouw probeert het nog wel eens: ‘Neem nou eens iets anders voor haar mee.’

Maar nee, als ik kom, in toerbeurt met mijn zussen, verwacht mijn moeder pizza en dan krijgt ze pizza. Ben er zelf trouwens ook gek op. En aan de hoeveelheden die mijn moeder verwerkt, zie ik dat ze niet alleen maar zo vaak ‘lekker’ zegt om mij een plezier te doen. En dan laat ze zich ook nog twee keer opscheppen van het minstens zo onverantwoorde toetje. De koekjes bij de koffie laat ze trouwens ook niet staan.

En na de pizza en de afwas kijken we dus luidkeels naar het voetballen.

‘Mijn oren worden nu wel wat minder, hoor jongen.’

‘Och,’ roep ik, ‘is ook wel lekker rustig toch?’

‘Wat zeg je, jongen?’

Maakt mij niet uit, ik brul de vraag met plezier nog een keer. En als ik een antwoord krijg dat me niet bevalt of dat niet klopt omdat ze het niet gehoord heeft, of als ze gewoon door me heen zit te kletsen omdat ze niet in de gaten heeft dat ik aan het woord was, stel ik de vraag verderop in het gesprek gewoon nog een keer. En desnoods nóg een keer. En als ik denk dat ze me met een kluitje in het riet stuurt, als ik iets over haar gezondheid vraag bijvoorbeeld, stel ik de vraag voor mijn part drie of vier keer.

Zo komen we er altijd wel uit. Alleen telefoongesprekken zijn vaak wat ingewikkeld. Daarom had ik vandaag maar niet opgebeld voordat ik kwam, want, zoals ze zelf altijd zegt: ‘Ik ben toch altijd thuis.’

Niet goed.

‘Je had wel even moeten bellen, jongen.’ Dat weten we dan voor de volgende keer, duidelijkheid voor alles.

Als je op deze leeftijd gekomen bent, mag je wel eens een vraag of een antwoord missen, denk ik. Mag je in herhaling vallen en steeds dezelfde herinneringen ophalen om je aan vast te klampen. Hoeft het niet meer zo scherp, hoef je je niet overal meer druk over te maken.

‘Je hoeveelste biertje is dat nu?’

Behalve pizza heb ik ook een flesje bier voor mezelf meegenomen; lekker voor onder het voetbal kijken.’

‘M’n tweede,’ lieg ik. Zachtjes, maar tevergeefs.

‘Volgens mij is het je derde. Kijk je een beetje uit?’

‘Ja mam.’