Een uitgave van mats bv ©

SCHIETEN

Jaargang X, 20

Wij houden niet van geweren en schieten. En al helemaal niet van oorlog. Wij vinden, in zijn algemeenheid, dat als je iets hebt met ’n ander, dat je daar dan fatsoenlijk met elkaar probeert uit te komen. Zo doen wij dat bij ons thuis ook. En dat geldt wat ons betreft ook voor meneer de president Bush. Zeker niet vechten!

Maar op de kermis is dat anders.

Als ik van jongetjes-af-aan in Limburg was blijven wonen, zou ik misschien wel bij de schutterij zijn gegaan. Maar in feite heb ik het nooit verder geschopt dan de schiettent op de kermis. Maar daar ben ik dan ook érg goed in! Elk jaar een foto!

Ik ben blij dat mijn zoon nu eindelijk ook zover is. Hij is toch ook alweer acht-en-een-half-ruím. Wat wij van de Schutterij eigenlijk een laatbloeier noemen.

Het ging zo.

We zijn vanzelfsprekend op de kermis. Vaste prik bij ons. Een vriend en mijn dochter waren er ook bij. Dat zijn dus twee zeer betrouwbare getuigen van het volgende.

We zijn een beetje vroeg omdat de dochter straks nog naar tenniscompetitie moet en omdat dit door omstandigheden de laatste dag van de kermis is. Omstandigheden, tussen twee haakjes, als koninginnedag en zo. Dus het moet vandaag vooral ook niet te gek worden.

Omdat we vroeg zijn, echt zo vroeg mogelijk, zijn nog niet alle kraampjes open. Regelrecht naar de schiettent, die wel open is.

‘Mag ik ook?’ vraagt de zoon.

‘Natuurlijk mijn zoon,’ zeg ik. Zo eenvoudig en mooi kan het soms zijn tussen vader en zoon.

‘Híj voor €2,50 en ik voor €5,-,’ zeg ik tegen de uiterst vriendelijke baas van de schiettent. Die ruikt lont, om maar eens een passend spreekwoord te gebruiken.

‘Waarom mag ik maar voor minder?’ vraagt zoonlief.

‘Allebei. Onbeperkt. Maximum,’ zeg ik tegen de nu vals lachende baas van de schiettent, en zijn vrouw en zijn schoonvader. Die zijn erbij komen staan. Dit wordt een mooie dag in de geschiedenis van deze schiettent.

‘Wat is de bedoeling,’ vraagt de jongen.

‘De dingen die je wil hebben, staan op witte pijpjes en die pijpjes moet je stukschieten,’ zeg ik. Een intiem moment. Dat zijn dingen die een jongen toch van zijn vader moet horen.

‘O,’ zegt hij.

‘Dan moet je door dit gaatje naar dit puntje kijken,’ probeert de man van de schiettent nog uit te leggen, maar dan moet hij bukken voor zijn leven. Mijn zoon legt aan en schiet.

Ráák!

‘En dan moet je zó opnieuw laden,’ vervolgt de trotse eigenaar van de schiettent onverstoorbaar zijn les. Later bedacht ik nog dat we ons natuurlijk hadden moeten voorstellen aan de man die per slot van rekening zo’n grote rol speelde in onze vader-op-zoon traditie.

Hij schiet voor de tweede keer. Wéér raak. Dat zakmes waar zijn moeder eigenlijk nog eens goed over moest nadenken, was van hem.

Ik wil eerlijk bekennen dat ik heb staan janken daar bij die schiettent.

Daarna heb ik een foto geschoten met daarop ons drieën. De vriend is vreemd genoeg opeens nergens te bekennen.

En mama was natuurlijk gewoon aan het werk.