Een uitgave van mats bv ©
SHOPPEN
Jaargang XI, 42
Mijn vrouw vindt het niet prettig als ik haar wel eens quasi-plagerig koopziek noem. Wat je je kunt voorstellen, voor een boekhouder-penningmeester is dat niet echt een lekkere eigenschap. Dat ik desondanks mijn financiële ziel en zaligheid, zakelijk en privé, aan haar overlever, geeft overigens al een indicatie over de zwaarte van het ziektebeeld. We hebben het eerder over een lichte neiging. Maar toch.
Ik heb ooit eens een grap gemaakt over mijn nonchalance ten aanzien van de huishoudboekhouding in combinatie met het feit dat we in gemeenschap van goederen getrouwd zijn.
‘Als je zou willen, zou je er zo met de kassa vandoor kunnen,’ zei ik toen.
Je verwacht dan dat ze zal zeggen: ‘Maar schat, dat zou ik toch nooit doen,’ of iets dergelijks. Maar het antwoord was een simpel ‘ja’.
Als ze weer eens met een nieuw paar schoenen of laarzen thuiskomt, noem ik haar liefkozend Imelda, naar de vrouw van de vroegere Filippijnse dictator die er een legendarische verzameling schoenen op na hield. Als we samen winkelen, verbaas ik me over de manier waarop ze winkels uitloopt, waar ze niets gekocht heeft.
‘We kijken nog even verder.’ Alsof ze wil zeggen: ‘We komen zo meteen terug om iets te kopen.’
Ik loop dan zo’n winkel uit met een hartelijk ‘goedemiddag’, waaruit de verkoper duidelijk kan concluderen dat we hier voorlopig niet terug zullen komen.
We gaan steeds minder vaak samen winkelen, wat zou kunnen verklaren waarom zij meer schoenen verslijt dan ik. Eigenlijk alleen als ik weer eens niets heb om aan te trekken, gaan we nog samen. Ik heb haar mening gewoon nodig. Zij kent mijn mening over haar uiterlijk echter inmiddels zo goed dat zij mij niet meer nodig heeft. En: ‘Je hebt toch ook nooit tijd.’
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat zij er beter uitziet zonder mijn advies dan ik met haar advies. En we vinden het blijkbaar allebei niet nodig of wenselijk dat ze er nog beter zou uitzien naar aanleiding van mijn deskundigheid.
Bovendien waren we laatst toevallig samen in een lingerie-winkel en toen bleek ik toch weer van die typische mannenkeuzen te maken, tenminste volgens de verkoopster. Net als vroeger, maar ik dwaal af.
Ik kan het me wel voorstellen dat het niet lekker shopt met iemand naast je die steeds opmerkt dat we dat toch niet nodig hebben. Ik kan haar ook niet gebruiken als ik een nieuwe of een andere auto ga aanschaffen.
Ik merk dat mijn dochter langzaam mijn shop-plaats in neemt. Die is dan ook al ruim 11.
Ze is alleen, zelfs in de ogen van mijn vrouw, in haar jeugdige overmoed nog iets te gretig.
Laatst kwamen ze met hoge ruzie thuis van een middagje stad.
‘Ja, zij wordt chagrijnig als ze eens niets krijgt als we de stad in gaan. Ze zal toch echt moeten leren dat het niet altijd prijs is.’
‘Natuurlijk, schat,’ zeg ik dan braafjes en ik opper eens tegen beter weten in de invoer van kledinggeld. Maar ik onderschat mijn dochter ook niet, temeer daar ik haar garderobe gestaag zie groeien.
En dan gaan ze weer met z’n tweeën.
Ze zeggen wel eens dat de behoefte om te shoppen de vrouw in de genen zit. Dat is onzin, het wordt gewoon van moeder op dochter overgedragen.
