Een uitgave van mats bv ©

SIGNALEN

Jaargang XIII, 12

Er schijnt een heerlijk voorjaarszonnetje en de thee staat klaar als de hormonen, pardon de kinderen thuiskomen van school. Ben vandaag lekker opgeschoten op mijn zolderwerkkamer en heb de uitdagende zonnestralen door het daklicht kunnen negeren, maar nu ga ik er even bij zitten. Zo vaak ben ik niet thuis op dit kostbare moment van de dag.

Mijn zoon heeft geen last van de zon, die zoekt de dichtstbijzijnde computer op, in eerste instantie om zijn werkstuk over Leonardo da Vinci af te maken. Interessant verhaal wordt dat trouwens; zo heeft hij bijvoorbeeld ontdekt dat het genie ooit werd gearresteerd op verdenking van homoseksuele handelingen.

Nee, we hebben de gelegenheid niet aangegrepen voor een goed gesprek over seks en we hebben het ook niet opgevat als een signaal. Die goede gesprekken over seks komen bij ons sowieso niet erg van de grond, hoewel we als behoorlijk moderne ouders heel erg verlicht zijn en geen onderwerp uit de weg gaan. De zoon ‘weet alles al’ en mijn dochter is naar believen ‘al twaalf, bijna dertien’ in de zin van ‘mij hoef je niets meer te vertellen’ of, als dat zo uitkomt ‘pas twaalf, nog geen dertien’ als ze wil uitleggen dat ze nog even andere dingen aan haar hoofd heeft dan die waar wij blijkbaar zo graag over praten.

Vrij onverwacht komen we vanmiddag in deze categorie een stapje verder, bij gelegenheid van een op het eerste gezicht mooie gelegenheid. In twee stappen wordt voorlopige toestemming gevraagd om met een klasgenoot die opvallend vaak voorkomt in de ‘zo-ontzettend-gelachen-verhalen’ naar de bioscoop te gaan. Eerst aan mij, als mijn vrouw even naar binnen is, waarschijnlijk om de stemming te peilen en omdat ik traditioneel de makkelijkste ben.

‘Vraag dat ook maar aan je moeder.’ En vervolgens aan mijn vrouw.

‘Hij komt wel eerst binnen en in elk geval niet ’s avonds.’

‘Ik weet trouwens al wat zijn vader doet,’ maait ze me vervolgens het gras voor de voeten weg.

‘Het gaat er niet om dat wij jou zo nodig iets moeten vertellen, maar juist dat jij óns iets moet vertellen. Jij weet van jezelf wel wat je allemaal uitspookt, maar wij weten alleen wat jij ons wil vertellen. We willen gewoon graag weten waar je bent, letterlijk en figuurlijk. Wij vertrouwen jou, jij vertrouwt ons.’

Al met al een behoorlijke preek, zeker voor mijn doen; bijna een goed gesprek zelfs. Zozeer zelfs dat mijn vrouw de plechtigheid wel even uit de lucht wil halen.

‘En ik zou toch heel graag willen dat je je eigen rommel een keer achter je kont opruimt.’

Dan zitten we alleen maar in dat lekkere voorjaarszonnetjes op ons terras. Te koetjes en te kalven en prettig te zwijgen.

‘O ja,’ zegt ze na een tijdje, ‘dat is waar ook, ik heb een rapport.’ Alleen al aan de manier waarop dat terloops wordt medegedeeld, kunnen we concluderen dat we ons ook daar geen zorgen over hoeven te maken.

‘Heb je dat prachtige rapport van je zus gezien,’ vraag ik aan mijn zoon die even naar beneden komt om te kijken of er nog iets lekkers te snaaien valt. Hij heeft onlangs de uitslag van zijn Cito-toets gehad en gaat na de zomervakantie naar dezelfde school als zij.

‘Ja práchtig hoor, maar er zijn belangrijker dingen in het leven. Heb je nou eigenlijk al verkering?’

Waarom hebben wij het idee dat de puberteit pas volgend jaar begint?