Een uitgave van mats bv ©

SOMS MOET DE SCHAAR ER IN

Jaargang VIII, 51

‘Gaat er bij jou eigenlijk ook wel eens iets mis?’ vraagt mijn zoon aan de kapper, die met een vervaarlijk ronkende tondeuse in zijn nek bezig is. Hij is hier helemaal niet gek op. De jongen is best stevig van bouw en tijdens de wekelijkse zondagse stoeibui kan ik naar hartenlust met hem gooien en smijten, zonder dat hij een kik geeft. Dan hoeven we alleen maar op te passen dat we bij het rondvliegen het kleine zusje niet raken, want die is heel wat fijner gebouwd. Maar als ik alleen maar naar zijn nekharen wijs, begint hij al te piepen. De luizenmoeder in zijn klas moet van goeden luize, eh.. huize komen: mijn zoon laat zich niet zonder slag of stoot de nek controleren op ongedierte. ’s Ochtends gaat er alleen in zijn spuuglok een klodder gel en zelfs dat liever niet.

Hoewel wij al snel van aanstellerij spreken als we niet echt iets als oorzaak kunnen aanwijzen, nemen we de zwakke plek van de jongen serieus en proberen we hem niet al te veel op zijn nek te zitten. Maar af en toe moet toch gewoon de schaar erin. Met zijn hoofd tussen de schouderbladen weggedokenlaat hij zich de tondeusebehandeling ternauwernood welgevallen.

‘Of er wel eens wat misgaat? Of er wel eens wat mísgaat?’ Dat moet je nou net aan onze kapper vragen. Die heet niet voor niets Jack de Knipper. De naam zegt het al. Jack kan griezelig smakelijk vertellen over die keer dat er net zo’n jongetje als onze zoon in de stoel zat. Het is een heel goed verhaal, maar ik geloof niet dat ik het voor de eerste keer hoor. Mijn zoon waarschijnlijk ook niet, want we gaan meestal samen, maar die laat ook niets merken. Juist als Jack met de tondeuse aan de gang wil bij dat jongetje, klingelt de deurbel en dus draait hij zich om om de nieuwe klant te verwelkomen. Roetsj, een hele baanhaar weg bij dat jongetje.

Mijn zoon trekt zijn schouders nog wat hoger op. De rillingen lopen ongetwijfeld over zijn rug. Jack is lekker in vorm vandaag, het tempo ligt hoog.

‘Nou, toen moest ik aan de andere kant ook zo’n baan kaalscheren. Maar dat was geen gezicht. Dus toen heb ik het van voor en achter en bovenop ook maar lekker kortgemaakt. Maar hij hoefde natuurlijk niet te betalen.’

Nee natuurlijk niet.

’Maar jij hebt ook vandaag weer erg veel geluk. Niets gebeurd, geen bloed en helemaal klaar.’

Het is inderdaad een heel fris gekapte zoon die zichzelf in de spiegel toelacht. Ongemerkt geknipt. Samen met de kapmantel valt de spanning van de jongen af. De opgetrokken schouders zakken terug naar normaal. Jack en ik krijgen een brede grijns.

Dat was weer even heerlijk griezelen.