Een uitgave van mats bv ©

SPORTIEF

Jaargang VIII, 1

Hoewel onze kinderen onze tennisverrichtingen regelmatig vanaf de zijlijn hebben moeten aanschouwen, zijn ze toch allebei op tennis gegaan. Vrijwillig. Op dezelfde club als wij, samen met nog een stel andere kinderen van school, dus dat is in principe heel gezellig. Ik zeg wel 'wij', maar in werkelijkheid heeft mijn vrouw meer last van sportiviteit dan ik. Ik trek alleen een korte broek aan als er in de wijde omgeving geen andere partner voor haar te vinden is of als ik weer eens zo nodig moet worden opgegeven voor een winteropfriscursus. Mijn vrouw betreurt dat omdat ze ergens gelezen heeft dat sporten goed voor je zou kunnen zijn en omdat ze in het algemeen vindt dat we onze kinderen tot lichtend voorbeeld moeten strekken. Ik werp dan tegen dat onze dochter op ballet is gegaan ondanks het ontbreken van enig voorbeeld van naaste of verre verwanten. En dat onze zoon niet op voetballen wil, hoewel ik een enthousiast tribuneklant ben.

Hoe dan ook, volgens hun leraar zijn ze heel enthousiast en we mogen hopen dat dat hun gebrek aan erfelijke aanleg zal compenseren.

'Ik kon vandaag op tennisles de bal 20 keer achter elkaar hooghouden,' vertelt de jongen trots.

'Ja,' zegt zijn zus, 'en het meeste was 56 keer.'

'O ja,' vraag ik achteloos, 'en wie had dat dan?'

'Ik.'

Dan weet ik niet wat ik moet zeggen. Het is heel knap als je de bal 56 keer achter elkaar hoog kunt houden en daar mag je ook best trots op zijn, hoewel ik betwijfel of je tegelijkertijd kunt tellen, maar het is niet zo leuk als je altijd alles beter kunt dan je broertje, ook al vertel je dat dan in twee stapjes.

Aan de andere kant is dit ook wel weer goed voor de mentale weerbaarheid van het kleine broertje, zo blijkt al meteen de volgende week.

'Ik kon deze week al 29 keer de bal hooghouden,' vertelt hij als ik op de rand van zijn bed zit. 'En we deden een spelletje waar je maar 7 punten kon halen en ik had 6 punten, maar zij zei dat ze 15 punten had.'

Nu besluit ik helaas om er wel wat van te zeggen. 'Dat is helemaal niet waar, papa, dat is helemaal niet waar. Ik had echt 15 punten' De tranen springen alle kanten op, want wij kunnen slecht tegen onrechtvaardigheid. Daar heb ik nou toevallig wel het goede voorbeeld in gegeven.

Terug naar mijn zoon. Aan het schudden onder het dekbed zie ik dat hij zijn revanche heeft gehad.

'Je bent een heel stout jongetje,' zeg ik zonder al te veel overtuiging, maar hard genoeg zodat zijn zus het hoort.

'Voortaan gaan ze allebei naar een andere les, op hun eigen niveau, met hun eigen klasgenoten,' blijkt mijn vrouw ondertussen in goed overleg met de leraar besloten te hebben.

Zij is niet alleen de sportiefste maar zoals altijd ook weer de verstandigste.