Een uitgave van mats bv ©
STICKERS SPAREN
Jaargang X, 14
Eigenlijk zijn we er met open ogen ingetuind. ‘Iedereen’ bij onze kinderen op school mocht op zaterdagavond naar de talentenjacht Idols kijken en dan wil je als moderne ouders niet achterblijven, terwijl je diep in je hart weet dat alle andere ouders op dezelfde manier voor de gek worden gehouden. Nou kunnen wij ’s zondags meestal gewoon uitslapen, dus het is niet echt een probleem dat het op zaterdag veel te laat wordt, ook al zie je de snoetjes steeds witter worden en de oogjes steeds kleiner.
Maar eigenlijk is het nog maar de vraag of we Idols wel zo’n leuk programma vinden. Natuurlijk, als de kandidaten bekende liedjes nazingen, mogen we graag luidkeels meebrullen, en presentatrice Tooske vinden we ook heel leuk, maar we ergeren ons steeds mateloos aan de botheid en de vooringenomenheid van de jury, die er meer voor zichzelf lijkt te zitten dan voor de jonge talenten. En toch kijken we allemaal elke week weer. Nou ja, allemaal- mama sukkelt meestal halverwege het eerste nummer al een beetje weg, maar dat hoort er inmiddels gewoon bij en dat is ook wel een soort van gezellig.
Maar nu, halverwege de serie, hebben we opeens een manier gevonden om het programma in te schakelen in de opvoeding; geloof het of niet. Het idee komt van de directeur van de school, die natuurlijk ook met zijn tijd meegaat en die onder een hoedje speelt met de juf van onze zoon. Juf bespreekt met de jongen per dagdeel of hij zijn best heeft gedaan, goed heeft opgelet, niet door juf en andere kinderen heen heeft gekletst, geen ruzie heeft gemaakt op het schoolplein en dat soort dingen. Als dat gelukt is, of in elk geval bijna gelukt, krijgt hij een sticker. Per week levert dat dus maximaal negen stickers op. De eerste week hebben ze in goed overleg ingezet op minimaal zes stickers en toen haalde hij er zeven, want één keer was er iets misgegaan met rekenen en één keer is er geknokt om de voetbal. Minder dan zes stickers betekent géén Idols. Dat heet opvoedkundig gezien, positieve stimulans en dat komt ná het goede gesprek, het flemen, het mopperen en de straf. En het was nodig. Maar wat nog belangrijker is: het lijkt werken. De zoon begint er lol in te krijgen en het op zijn fatsoen te trekken. Deze week, meldde hij trots, heeft hij ingezet op acht stickers. Dan kan hij zich dus eigenlijk maar één uitglijder permitteren.
‘Oei,’zeg ik, ‘dat is wel meteen heel veel. Wat nou als je het niet haalt?’
‘Tja, dan heb ik dus een probleem.’
Daar zijn we allebei even stil van. Persoonlijk vind ik dat je niet in één keer van flierefluiter het braafste jongetje van de klas hoeft te worden, maar ik ben lang genoeg getrouwd om dat niet hardop uit te spreken.
‘Trouwens,’geeft hij dan ruiterlijk toe, ‘zo leuk vind ik Idols eigenlijk toch niet meer.’
Wie heeft er dan gewonnen, de opvoedkunde of het kleine ondeugende jongetje? Of allebei?
