Een uitgave van mats bv ©
STOER
Jaargang IX, 8
Sommige vrouwen vinden mannen eigenlijk maar watjes. Flauwvallen bij een spuitje en elke druppel bloed. Bij verkoudheid meteen aan een longontsteking denken. Hard praten in het donker. Mijn drie zussen zijn zulke vrouwen en ze nemen mij altijd als voorbeeld. Zoals bekend heb ik het als enige zoon en jongste kind in een gezin met drie oudere zussen in mijn jeugd bepaald niet makkelijk gehad. Mijn moeder moést mij wel verwennen om het leven voor mij een beetje dragelijk te houden. Voorbeeldje? Tot op de dag van vandaag kunnen mijn zussen bijvoorbeeld smakelijk vertellen over hoe ze me uitdaagden om zonder licht de donkere kelder in te gaan. Ik durfde niet, hoe graag ik ook stoer had willen zijn.
Met mijn zoon is het niet anders, al heeft die maar één zus. Maar wát voor een! Dus als die jongen midden in het 8-uur journaal pruilend onder aan de trap staat, neem ik dat serieus. Bij ons moet je namelijk een goede reden hebben om eruit te komen als je er eenmaal in ligt. En die heeft hij. En hij moet ook al een hele goede reden hebben om te gaan pruilen. En die heeft hij dus ook. Het is boven zo donker dat hij vervelend gaat dromen en zijn zus wil niet dat het licht op het portaal aangaat en zijn nachtlampje is stuk.
'Hij moet gewoon gaan slapen,' roept de dochter van boven.
Dat is ook zo; we doen het licht in de badkamer aan en laten de deur op een kier. Dan knijpt zij haar ogen maar wat harder dicht om te gaan slapen. Bij ons hoeft niemand zich stoerder voor te doen dan hij feitelijk is. Zo voeden wij elkaar een beetje op in de emancipatie.
Dat gaat overigens met horten en stoten, ik moet daar eerlijk in zijn. Vooral ikzelf kan soms nog heel rolpatroonbevestigend bezig zijn. Van de week nog bij mijn dochter, die natuurlijk een hele flinke meid is, maar toch ook vooral in de leeftijd van schattig. Ze staat met een grote lap vitrage om zich heen gedrapeerd.
'Ik zie het al,' zeg ik veel te voorbarig, 'jij bent de bruid.' En ik neurie zelfs de evergreen 'Morgen ben ik de bruid' van Willeke Alberti.
'Wélnee pappa,' zegt ze zonder een spoor van verwijt, omdat ze zich wel voor kan stellen dat ik de vergissing maak, 'ik ben Súpermeissie.'
'Auwauw, jij moet óphouden, úitkijken.' Heel even dwarrelt de cape van het voorbij stuivende Supermeissie langs het gelaat van haar broer, die prompt piept.
Ik zucht maar eens. Hij zit blijkbaar even in een overgevoelige fase, die hopelijk snel weer over gaat.
Ikzelf ben al lang niet meer bang in het donker, ook al doe ik nog steeds het licht aan als ik de kelder in ga. En in ben stap voor stap zo ver gekomen.
