Een uitgave van mats bv ©
STOPLICHTEN
Jaargang XI, 23
Het leuke van de puberteit is dat hij zich af en toe vast een beetje aankondigt, zodat je als argeloze ouders stukje bij beetje wordt voorbereid op wat je te wachten staat. Het zou erger zijn, denken wij, als een kind op een kwade morgen op zou staan en geheel onvoorbereid in de puberteit zou schieten. Dan heb je als ouder toch snel het idee dat je ergens iets helemaal verkeerd hebt gedaan. Maar inmiddels weten wij dat de reacties op wat je doet sterk kunnen verschillen, zelfs als je elke keer min of meer hetzelfde doet. Dus die ene goeie grap is soms hartstikke stom en achterlijk en soms goed voor een slappe lachbui van 10 minuten. Soms springen de tranen spontaan in de ogen en in de rondte en als dat gebeurt dan mag je de ene keer wél troost-knuffelen en moet je de andere keer niet denken dat je met een baby van doen hebt en op andere momenten lacht de wereld de aanstaande puber vrolijk toe.
Moeilijk? Och. Wij kennen de wereldgeschiedenis ook wel een beetje en we weten dat we niet de enigen zijn die met het probleem worstelen. Daar wordt het misschien niet makkelijker van, maar het is een troostrijke gedachte dat heel wat betere ouders dan wij ook maar wat aanstuntelen. Wij gaan maar zo’n beetje op ons gevoel af. We hebben liefde zat en zijn ook redelijk geduldig en af en toe puberen we gewoon lekker ongenuanceerd terug. Participerend opvoeden, noem ik dat. Zelf verzonnen.
En soms, als we de kans krijgen, doen we een goed gesprek. Niet, zoals veel beginnende ouders nog wel eens doen, om de keukentafel gaan zitten en dan praten. Nee, terloops en achteloos, bijvoorbeeld als we samen het onkruid tussen de kiezelstenen op het tuinpad wieden. Dat is een buitengewoon stom karwei, waar je volgens de puber-in-spe de kindertelefoon en arbeidsinspectie tegelijk op af kunt sturen en dat begint dus elk aan een uiteinde van het pad en dan langzaam naar elkaar toewerken. Letterlijk en figuurlijk. Naarmate je dichter naar elkaar toekomt, hoef je minder hard te praten en kunnen de gesprekken dus vertrouwelijker worden. En er speelt heel wat door zo’n klein hoofdje, kan ik u verzekeren. Gedachten en zorgen die in een grote-mensenhoofd al lelijk kunnen spoken, laat staan in zo’n hormonengeplaagd kinderhoofd. Klasgenoten die ziek zijn, van een beetje tot heel ernstig, ouders van vriendinnetjes die het niet meer zo goed met elkaar kunnen vinden, een nest pasgeboren poesjes waarvan je er zo graag een wil houden, maar papa wil niet.
Ik luister en ik knik, stel af en toe een niet te domme vraag, maak een grapje en laat fijne, betekenisvolle stiltes vallen. En wijs ondertussen natuurlijk op een grassprietje dat nog moet worden uitgetrokken. We zijn wel aan het klussen en nee, we zijn nog niet klaar.
En tenslotte doe ik natuurlijk wat elke vader in mijn positie in dat soort situaties doet.
Ik vertel dat we dankbaar moeten zijn dat we elkaar hebben, dat we gezond zijn, dat we goed kunnen leren en dat we misschien wel af en toe chagrijnig mogen zijn maar dat we eigenlijk natuurlijk helemaal niets te klagen hebben.
‘Ja, papa,’ zegt mijn eigen proefpuber, ‘voor ons springen de stoplichten op groen.’
