Een uitgave van mats bv ©

STRAF

Jaargang XI, 41

Mijn zoon is groot onrecht aangedaan. Ik zie het aan zijn houding en zijn ogen. En nu ik beter kijk ook aan zijn trui. Hij mag het hele jaar niet meer op handvaardigheid komen, wat een ander woord is voor knutselles, wat wij vroeger handenarbeid noemden. En hij vindt handvaardigheid – ook wel kunstnijverheid genoemd – nog wel zo leuk. Ik ook. Van het weekend hebben we samen nog een knikkerbaan van papier gemaakt. Heel knap, al zeggen we het zelf, met hoge torens en verschillende verdiepingen en vallen erin. Moeilijk uit te leggen, maar heel gezellig om samen te maken. En nu zijn we dus blijkbaar geschorst.

‘Daar zul je het dan wel naar gemaakt hebben,’ zeg ik vol ouderlijk onbegrip. Het gebeurt wel vaker dat hij absoluut niet kan begrijpen waarom hij nou alweer straf heeft gehad en dat wij het hem dan na een kleine reconstructie van de werkelijkheid toch vrij eenvoudig kunnen uitleggen. En dat werkt ook wel. Zelfs meester had gezegd dat het dit jaar beter leek te gaan. ‘Tot nu toe,’ had hij daar nog nadrukkelijk aan toegevoegd. Maar blijkbaar hebben we nu een klein terugvalletje.

‘Daar heb ik het helemaal niet zelf naar gemaakt, dat zeggen jullie altijd.’

‘En vaak klopt dat ook.’

‘Nou, deze keer niet. Wij moeten in groepjes werken en ik zit in een heel stom groepje.’

‘Daar begint het al…’

‘Nee, papa, écht heel stom. Maar wij waren al klaar met ons groepje en toen wilde ik alleen maar heel even bij een ander groepje kijken. En juf had gezegd dat wie nou nog de orde zou verstoren, het hele jaar niet meer mocht komen.’

‘Dan zullen jullie er wel een erge puinhoop van gemaakt hebben, als juf zoiets al moet zeggen.’

Dan komt zijn moeder binnen. Hij begint zijn verhaal nog eens opnieuw.

‘Daar zul je het dan wel naar gemaakt hebben,’ reageert die, alsof de jongen met zo’n opmerking iets opschiet.

‘Zie je wel, dat zeggen jullie nou altijd.’

‘Wat is er in vredesnaam met je trui gebeurt,’ gooit mijn vrouw het nu over een andere, praktische boeg.

‘O, dát. Jeremy was met verf aan het rondgooien. Die mag de rest van het jaar ook niet meer komen.’

Langzaam wordt duidelijk onder welke omstandigheden de handnijverheids-juf moet werken.

‘Die vlekken krijg ik er nooit meer uit,’ zegt mijn vrouw en ik moet onmiddellijk aan mijn moeder denken. Was je vroeger keihard gekletterd met je fiets, bloedende knieën, was het eerste dat mijn moeder vroeg: ‘Is er iets met je kleren?’

‘Wat moet je dan eigenlijk voortaan doen als je niet meer naar handenarbeid mag,’ blijf ik bij het onderwerp.

‘De heet handvaardigheid, hoor papa, en ik moet nu gewoon in onze eigen klas blijven; sommen maken of zo.’

Kan ook geen kwaad, denk ik, maar mijn vrouw komt er alweer tussen: ‘Zal ik dan eens met juf praten?’ Weer hoor ik daar mijn moeder. Die is één keer met een leraar Natuurkunde gaan praten op een van mijn middelbare scholen omdat ik me had beklaagd over mijn behandeling. Mijn moeder trok namelijk ook altijd partij voor mij, terecht of niet. Meestal niet. Ik heb van die actie de rest van mijn lange, lange schoolcarrière last gehad.

‘Nee natuurlijk niet,’ de jongen en ik reageren tegelijkertijd als door een wesp gestoken. Er wordt naar ons idee al veel te veel gepraat. En dat helpt toch nooit, integendeel. Ikzelf zie veel meer in het inhouden van een gedeelte van het schoolgeld, wegens niet geleverde prestatie, maar ik laat het wel uit mijn hoofd om dat hardop te zeggen. Mijn vrouw is namelijk penningmeester van die school en ze zou zo maar in staat zijn om onszelf een aanmaning te sturen.

De zoon en ik kijken elkaar eens aan en trekken bijna tegelijkertijd onze schouders op. Er zal niets anders opzitten, deze straf moeten we uitzitten.

Vanuit mijn ooghoek en vanuit mijn instinct zie ik zijn moeder zich voornemen om tóch even met juf te praten.