Een uitgave van mats bv ©

STRENG

Jaargang XI, 10

Mijn zoon en ik zitten samen piano te oefenen en we hebben allebei het idee dat we onze tijd wel beter kunnen gebruiken. Samen oefenen is eigenlijk niet juist uitgedrukt. Hij oefent en ik speel voor kookwekker. De echte kookwekker is namelijk kapot, die gaf op het laatst halve uren aan die hooguit tien minuten duurden. We kunnen ons tenminste bijna niet voorstellen dat dat aan de pianist lag. Die wil dat onderscheid tussen ons beiden ook graag duidelijk hebben. Als ik zeg dat het volgens mij zo vals klinkt als een gebarsten kerkklok – opbouwend bedoeld natuurlijk – stelt hij steevast voor dat ik het dan misschien even moet voorspelen. Die heeft de piano-juf natuurlijk ook horen zeggen ‘dat er bij jullie thuis blijkbaar niemand is die het in de gaten kan houden.’ Alleen al daarom was dat pedagogisch gezien een heel onverstandige opmerking van juf. Hoewel ik hem dus gewoon op zijn vingers zit te kijken, heeft hij liever dat ik erbij zit dan dat hij alleen moet oefenen. Maar wel elke keer een gezicht alsof de 52 toetsen evenveel spruitjes zijn die hij een voor een moet opeten.

‘Trek een ander gezicht, als je je zo blijft aanstellen, maak je het alleen maar erger voor jezelf. We moeten allemaal wel eens iets doen waar we geen zin in hebben.’

‘Jij hoeft nooit iets te doen waar je geen zin in hebt.’

Dat herken ik wel van vroeger: wacht maar tot ik groot ben, dan doe ik precies wat ik zelf wil.

‘Da’s natuurlijk flauwekul. Ik moet toch ook gewoon werken?’

‘Ja, maar dat doe je vrijwillig.’

Tja, bijdehante kinderen zijn ongetwijfeld een zege, maar niet altijd. Even sta ik met een mond zoals het toetsenbord van de piano: vol ivoor.

‘Dat is helemaal niet vrijwillig, ik moet werken om bijvoorbeeld jouw pianolessen te betalen.’

Bijdehante ouders is ook niet altijd even leuk, ondanks zijn chagrijn ziet hij hier de humor wel van in en hij was zich juist zo leuk aan het ingraven in zijn verongelijktheid.

‘Zij mocht ook meteen ophouden met paardrijden toen ze dat wou.’

‘Ja, maar we hadden nog geen paard aangeschaft voor haar en voor jou wel een piano.’ Je kunt als ouder nog zo bijdehand zijn, dat wil nog niet zeggen dat al je uitspraken even genuanceerd zijn.

‘Vind je mij te streng?’

‘Nee, maar wel met piano.’

Dat is eigenlijk slecht nieuws, want het is nou net de bedoeling om wat strenger te worden. Vandaar dat hij niet zomaar van piano af mag. In dit gezin met opvoedkundige watjes van ouders is dat bepaald geen overbodige luxe. En helaas is het voor mijn zoon harder nodig dan voor mijn dochter. Hoewel die ook ernstig moet gaan oppassen met haar brutale opmerkingen af en toe.

Hij heeft gewoon wat meer moeite met de verdeling tussen pret en plicht. En daar kan ik niet met mijn eigen moeder over praten omdat het helemaal niet helpt als ik steeds te horen krijgt dat hij het niet van een vreemde heeft.

Begrip is een slechte raadgever voor de strenge ouder in spe. Ik bedoel: vertel mij wat over meesters die nou eenmaal de pik op je hebben.

Niets mee te maken. Voortaan is het: straf op school is straf thuis. Hij kan nou eenmaal niet zijn halve schooltijd op de gang staan. We hebben zelfs de gruwelijkste aller straffen verzonnen: géén tv en géén spelcomputer.

En binnenkort zal het er ook echt van komen, want de twee allerlaatste waarschuwingen zijn al geweest.