Een uitgave van mats bv ©
TAART
Jaargang XII, 4
Mijn dochter en ik bakken een notentaart. Over het bakken van notentaarten bestaan verschillende misverstanden. Het eerste misverstand is dat het ingewikkeld zou zijn. Is niet waar. Wij volgen het recept uit het Allerhande-boek keukenweegschaalnauwkeurig en dan kan een kind de was doen. Bovendien viert een belangrijke complicerende factor het verjaardagspartijtje van een vriendje, zodat de taken niet al bekvechtend verdeeld hoeven te worden. En vier andere complicerende factoren is te verstaan gegeven dat ze weg moeten wezen uit de keuken omdat ze anders worden meegebakken.
Een ander misverstand is dat het bakken van taarten zich bij uitstek leent voor een goed gesprek. Mijn dochter en ik zijn even uitgegoedgesprekt. De laatste paar keer dat we goed gesproken hebben waren nogal verdrietig en daar hebben we vandaag gewoon even geen zin in. Waar dat precies over ging kan ik hier niet uit de doeken doen, maar het had te maken met de voortdurend wisselende coalities van meidengroepen in de klas. Wij mannen kennen dat niet zo, maar het is me inmiddels duidelijk dat het je goed dwars kan zitten.
Vandaag dus koetjes en kalfjes.
Ze zeeft de bloem. Geen idee waarom, maar zo staat het in het recept. Daarna breken we de hazelnoten en walnoten. Mijn vrouw roept vanuit de kamer dat we ze daarvoor eerst in een plastic zakje moeten doen. We begrijpen pas halverwege dat ze eigenlijk gelijk had; maar goed dat je bij ons van de vloer kunt eten.
Basterdsuiker smelten in de pan; nee, geen idee waarom dat zo heet. Zal vast iets met bastaard te maken hebben. Kwebbel, kwebbel, oei wat is het gezellig. Hoe de taart straks zal smaken doet nu al helemaal niet meer terzake.
‘De moeder van een meisje bij mij op streetdance geeft Frans op het gymnasium.’
‘O.’ Ik hou me op de vlakte, want wat een terloopse opmerking lijkt, komt redelijk in de buurt van een goed-gesprek-onderwerp. Schoolkeuze, open dagen, proeflessen en cito-toetsen voeren de spanning flink op in groep 8.
‘Maar zij gaat natuurlijk naar een andere school, want je gaat liever niet bij je moeder in de klas zitten.’
‘Daar kan ik over meepraten, ik zat bij mijn vader in de klas en dat was geen onverdeeld genoegen, kan ik je verzekeren.’ Waarbij ik gemakshalve buiten beschouwing laat of dat aan mijn vader lag of aan mij. Het is al lang geleden en ik heb het inmiddels wel verwerkt.
‘Ja, maar dat was toch de lagere school? Op middelbare school is dat natuurlijk nog erger omdat je gaat puberen en zo.’
‘Zou kunnen. Ben jij eigenlijk al aan ’t puberen?’
Hier kunnen we duidelijk zien dat we niet aan een zogenaamd goed gesprek bezig zijn, want dan had deze vraag wellicht wat subtieler gesteld moeten worden.
‘Denk het niet. Ze zeggen van niet.’
‘Je bent in elk geval nog niet erg vervelend.’
‘O, maar dat komt nog wel.’
De oven piept dat hij op temperatuur is.
