Een uitgave van mats bv ©

TOERNOOI

Jaargang VIII, 21

Dit weekend hebben wij meegedaan aan het ouder-kind-toernooi op de tennisclub. Dat is dus dat je met je eigen kind dubbelt. De zoon en ik in één team, de dochter met mijn vrouw. Eerst een uurtje clinic en dan een paar wedstrijdjes. Nou hebben wij als gezin geen grote sportieve traditie. Alleen mijn vrouw schijnt vroeger verdienstelijk gekorfbalt te hebben, maar dan houdt het zo'n beetje op. Wij konden wel allebei goed leren. Geen wonder dan ook dat ze op de tennisclub, waar we nu toch alweer zo'n tien jaar lid van zijn, van ons opkeken, zo allemaal samen, geheel en al sportief maar modieus gekleed, tennisrackets in de aanslag.

Ikzelf heb het niet zo op toernooien. Ik mag me graag een keer in de week laten afmatten door een ambitieus tennisleraar en in het weekend op mijn gemak een balletje slaan met de vrouw, maar ik hoef niet zo nodig in wedstrijdverband mijn vorderingen te laten zien. Ook al omdat ze er nauwelijks zijn. Bovendien laat ik iedereen graag in zijn waarde, mezelf incluis. Maar nu doe ik graag mee om de sportiviteit van mijn kinderen te stimuleren.

Mijn dubbelpartner stelt er zich erg veel van voor. Zeker nadat hij gezien heeft met wie we in de poule zijn ingedeeld, weet hij zeker dat we de beker gaan winnen. Twee van de drie wedstrijden worden een makkie, voorspelt hij. Ik probeer hem wat te temperen in zijn enthousiasme. Een balletje kan raar rollen, veel is afhankelijk van de vorm van de dag en we hebben de laatste tijd ook niet al te veel geoefend. En dat geeft ook niet, want het gaat niet om het winnen.

'Nee,' zegt hij, 'dat weet ik wel, als je het maar leuk hebt.'

Hij had ook kunnen zeggen:' En ik ben gek op spruitjes.'

Zijn zus is stomtoevallig ingedeeld in een poule met haar vriendinnetje van school. Ze huppelt weg met mamma in haar kielzog. Die gaan voor de gezelligheid, die willen niet eens winnen.

Mijn zoon en ik doen het aanvankelijk heel goed in onze poule. De eerste wedstrijd winnen we dik en de tweede spelen we op het nippertje gelijk. In de laatste worden we echter vreselijk in de pan gehakt. Als we op een hopeloze achterstand staan begint het tot de zoon door te dringen dat we de beker kunnen schudden. Opeens heeft hij een flinke blessure aan zijn arm.

'En als jij die laatste bal niet had gemist, pappa, hadden we misschien nog kunnen winnen.' Zelf heb ik mijn twijfels bij de puntentelling van onze tegenstanders. Als je zo moet winnen...

Lang na de prijsuitreiking, als de meeste ouders zich al lang weer verbroederd hebben in een aangenaam zonnetje op het terras, zie ik vanuit een ooghoek dat de kinderen bezit hebben genomen van centrecourt. Ze spelen niet volgens de regels en niemand houdt de puntentelling bij.

Het gaat toch niet om het winnen.