Een uitgave van mats bv ©

UITNODIGINGEN

Jaargang X, 37

Het comité voor een onvergetelijke negende verjaardag voor onze zoon vergadert in een vriendelijk najaarszonnetje. We schieten lekker op, maar dat komt omdat we de makkelijke agendapunten het eerst behandelen. Eerst en vooral en allerbelangrijkst is daar Het Cadeau. Dat wordt dit jaar weer een spelcomputer. Een heel erg duur cadeau, zeker als mama het nog eens nadrukkelijk uitrekent in ouderwetse guldens, maar we hebben er allemaal langzaam aan kunnen wennen omdat hij er al een jaar geleden over begonnen is. En onze zoon is dan ook wel weer zo dat hij verder van niemand iets hoeft, als dat maar geregeld is. Dat gunnen we hem dus wel. Vroeger durfden we in gezelschap nog wel eens hardop te beweren dat wij onze kinderen niet verwennen, tegenwoordig zijn we al blij als het niet al te erg opvalt.

Over de tantes en een paar goede vrienden zijn we het ook snel eens, die komen gewoon weer en hij belt ze zelf over het cadeautje, namelijk dat ze allemaal iets bij moeten leggen voor een spelletje voor die spelcomputer. Zoals hij het zelf treffend uitdrukt: ‘Misschien ben ik nu wel vervelend, maar na mijn verjaardag heb je nergens meer last van, want dan heb ik mijn spelcomputer.’

Zo vervelend is hij trouwens helemaal niet. Hij sport tegenwoordig dat het een lieve lust is, studeert een soort van ijverig op de piano en doet best wel z’n best op school. En je kan altijd wel met onze hem lachen. Zelfs zijn zusje af en toe.

Vandaar dat zijn moeder in principe welwillend de onderhandelingen in gaat over hoofdstuk 2: het partijtje. Of, in historisch perspectief, De Partij.

Het wordt dit jaar paintballen. Paintballen, met verfkogeltjes voor de lol op ‘je tegenstander’ schieten? Bekend van vrijgezellenfeesten? Zijn ze daar niet veel te klein voor? Jazeker, gelukkig wel. Dus wij hebben ingetekend op de kindvriendelijke variant, Soakerball, waarmee je met watergeweren gevuld met gekleurd water op je tegenstander schiet. Tot verdriet van onze zoon, die liever voor het echte werk was gegaan. Ook al leert de ervaring, bijvoorbeeld van het kart-feestje van een vriendje vorige week, dat ze op deze leeftijd vaak nog niet zo stoer zijn als ze zich voordoen.

Hoeveel kinderen mogen komen. Routineus noemt hij zijn gebruikelijk rijtje vrienden op en haast achteloos voegt hij daar twee meidennamen achteraan. Wij vinden daar an sich niets van. Hij wordt zelf ook op meidenpartijtjes gevraagd. Als wij er al iets van vinden, dan is dat dat dat blijkbaar zo gaat tegenwoordig.

Maar mijn vrouw hangt toch al in de remmen.

‘Dat is helemaal niet leuk voor de meiden.’

‘Jawel hoor mama.’

‘We doen hier thuis wel iets apart voor hen.’

‘Nee mama, dat wil ik niet en het is mijn feestje.’

‘En je moet ook dat andere meisje uitnodigen, waar jij laatst ook was uitgenodigd.’

‘Vet niet!’

De publieke tribune, mijn dochter en ik, kijken elkaar eens aan. Als de jongen op deze voet door gaat, staat hij op verlies. Zijn teksten moeten beter worden.

Mijn vrouw wordt overmoedig, alsof de wedstrijd al gewonnen is.

‘Zullen we dat dan zo maar afspreken? Alleen met de jongens paintballen en die drie meiden een keer apart.’

En tegen mij: ‘Ik vind het wel goed zo. Vorige week nog een complete hockey-uitrusting aangeschaft.’

Laat mij erbuiten, ik ben neutraal.

De jongen haalt eens diep adem.

‘Dat gaan we dus écht niet doen, mama. Ik heb tegen die twee meisjes gezegd dat ze ook op mijn feestje mochten komen als zij mij uitnodigden en dat derde meisje heeft mij alleen uitgenodigd omdat dat van haar moeder moest.’

Zijn zus en ik leunen achterover. Eerder dan verwacht is de wedstrijd afgelopen. Twee-nul voor onze zoon en broer.