Een uitgave van mats bv ©
VOGELTJE
Jaargang X, 23
Omdat in mei alle vogeltjes een ei hebben gelegd, is het nu een drukte van belang in de verschillende nesten. En daar komen ongelukken van, daar kun je op wachten. Met al dat gescharrel, geduw en getrek om de beste wurmen, valt er wel eens een kuiken overboord, uit de boot of uit het nest. Dat is de natuur en dat is jammer, maar helaas. Zo’n piepertje is ten dode opgeschreven omdat zijn vader en moeder hem nooit meer terug in het nest kunnen tillen, omdat hij zelf natuurlijk nog niet kan vliegen en omdat op de grond vele gevaren loeren.
Nou is het misschien niet erg hartelijk om mijn zoon en zijn vriendin als ‘gevaar’ te betitelen, maar je kunt je oprecht afvragen wie je beter kunt tegenkomen als omlaaggestort vogeltje, onze zoon of onze Blanco. Bij een ontmoeting met Blanco weet je dat je kansloos bent, daar hebben je ouders je vaak genoeg voor gewaarschuwd. Misschien krijg je eerst nog een paar draaien om de oren, maar daarna is het onverbiddelijk hap-slik-weg. Het is wreed, maar zoals gezegd, dat is de natuur en een jong vogeltje is voor onze Blanco natuurlijk lekkerder dan het duurste blikje uit de supermarkt. Als je de zoon en zijn vriendin treft, die toevallig samen naar de tennisclub lopen, maar daar nooit zullen aankomen omdat een vogelvondelingetje natuurlijk veel interessanter is dan een partijtje tennis, wordt je als vogelpuppy op het verkeerde been of pootje gezet en kun je aanvankelijk nog denken dat je het treft. Dan word je opgepakt, een beetje hardhandig, maar ook lekker warm. En natuurlijk, het vriendinnetje mag je ook even vasthouden en de zus ook. En dan wil hij je weer terug en zo gaat dat even door. Je leeft nog steeds, maar op deze manier kan dat niet lang meer duren. Op aanraden van mijn vrouw wordt het getraumatiseerde jong bij de kippen gezet.
‘En nu allemaal eerst je handen wassen.’ De vogelpest ligt mijn vrouw nog vers in het geheugen.
En dan kom ik thuis.
‘O, ik zie het al,’ bluf ik, ‘een mereljong.’ Ik kom er mee weg. Het lijkt mij niet verstandig om het minimereltje bij de kippen te laten, het wordt vannacht koud en morgenochtend stappen de kippen, die natuurlijk kippig zijn, misschien wel boven op hem of haar. Als hij of zij dan tenminste nog leeft. Want ik geef het diertje weinig kans. Maar aan ons zal het niet liggen. We prikken wat gaten in een schoenendoos, leggen er een oud T-shirt van onze dochter in, raspen een vers appeltje omdat we toevallig geen wurmen in huis hebben, leggen Blanco duidelijk uit dat dit geen eten is, zetten de doos met veerbolletje op de schoorsteenmantel en hopen er het beste van.
De volgende ochtend om zes uur staat onze zoon met een dood vogeltje in zijn handen naast ons bed.
‘Hij heeft het niet gehaald,’ constateert de jongen nuchter. ‘Maar het was wel heel bijzonder, ik heb nog nooit zo’n klein vogeltje in mijn handen gehad. We zullen hem maar in de tuin begraven.’
‘En dan goed je handen wassen,’ klinkt het naast me.
