Een uitgave van mats bv ©
VRIJMARKT
Jaargang X, 18
Koninginnedag komt er aan. Een normaal mens zou allicht kunnen denken dat er de laatste tijd met al die bruiloften, baby’s, begrafenissen en schandalen wel genoeg royalty gepasseerd is, maar dat wordt bij ons thuis gekwalificeerd als republikeins gezeur. Er wordt mij gewezen op het verschijnsel dat er voor de liefhebber ook nooit genoeg voetbal op de televisie is en dan is de discussie meteen gesloten. Bijna tenminste, want ik mag dan nog graag even opmerken dat de koningin niet eens écht jarig is.
Vroeger, toen de koningin nog wel jarig was op koninginnedag en mijn vader lid was van het oranjecomité bij ons in het dorp, waren de koninginnedagen van een andere orde. Ik herinner mij nog wel dat ikzelf als prinsje op een prachtig versierde zeepkistkoets in een optocht werd voortgetrokken door een al even prachtig versierde zus. Het doet niet meer zo’n pijn als vroeger, maar het trauma is nog niet helemaal verdwenen. En naar verluid wordt mijn zus dezer dagen ’s nachts ook nog wel eens gillend wakker. Oude ambachten waren er toen nog niet, daar verdienden de mensen nog gewoon echt hun brood mee, en van een vrijmarkt had natuurlijk ook nog niemand gehoord.
Hoewel ik eigenlijk vind dat elk kind recht heeft op zijn eigen jeugdtrauma’s hebben wij de optocht overgeslagen, steken we elk jaar de vlag uit, wandelen we aandachtig langs de oude ambachten, zoals biezen matten of matten biezen, kaas en worst draaien, honing kloppen en tin gieten, kopen we ambachtelijke stroopwafels, die toch veel lekkerder zijn dan onambachtelijke, luisteren zo lang mogelijk naar het gemengde koor en dan hup naar de kermis.
En vorig jaar heeft mijn gezin de vrijmarkt ontdekt, als handelaren wel te verstaan. De eerste keer heeft dat nog niet veel opgeleverd omdat eigenlijk niemand de rommel wilde hebben die wij ook niet meer wilden hebben. De schamele winst van mijn vrouw is toen bovendien nog omgezet in twee aardewerken kannetjes, waar haar buurvrouw anders nooit vanaf zou zijn gekomen en die wij dit jaar weer hadden kunnen verkopen als ze niet al snel stukgevallen waren.
Maar dit jaar wordt het allemaal wat grondiger aangepakt en zal de zilvervloot dus binnenlopen. Inderdaad is er al een halve vuilniszak aan spullen verzameld die best wel verkocht zouden kunnen worden als we onze zoon aan zijn verstand kunnen peuteren dat hij er niet meer voor kan vragen dan ik er destijds nieuw voor betaald heb. En als ik het zo formuleer, ruik ik een mooie gelegenheid om een lesje geld en waarde te geven. Temeer omdat er deze week nog in kasten gesnuffeld gaat worden als ik niet thuis ben en we er dus van uit kunnen gaan dat er nog meer kapitaal vernietigd gaat worden.
‘Hoe verdelen we de winst eigenlijk,’ wil ik dan ook wel eens weten.
‘Gewoon door drie,’ blijkt mijn vrouw dan al lang besloten te hebben omdat ze wel weet dat ik niet om zes uur in de ochtend kleumend op een kleedje een plekje bezet ga houden.
Onnodig te vertellen dat de kosten voor de kermis, later op de dag, door één gedeeld zullen worden.
Een mens krijgt niet vanzelf republikeinse neigingen, zeg ik altijd.
