Een uitgave van mats bv ©
WEDDEN
Jaargang XI, 18
Wat ik nog helemaal vergeten was te vertellen, is dat we in blijde verwachting zijn. Terwijl we toch echt besloten hadden dat ons gezinnetje compleet zou zijn, komt er binnenkort uitbreiding. De kleine poes, Mokka, krijgt jonkies. Tja, het is de natuur en het voorjaar. Of dat niet zielig is, zelf nauwelijks volwassen en dan al moeder worden? Wij houden ons zelf voor dat het ook wel gebeurd zou zijn als ze op de boerderij was gebleven en we vonden het ook niet zo lekker om haar al zo jong te laten steriliseren. En de pil zijn we gewoon vergeten, stom, maar waar. Het komt in de beste families voor! Overigens hadden we niet de indruk dat ze zielig was tijdens de conceptie, gelet op haar dellerige gedrag destijds.
Het scheelt dat we de vaders kennen. Meervoud, omdat er twee kandidaten zijn. Een rooie met het lijf van een kleine herdershond en een zwart witte met een kop die hevig getekend is door vele zware gevechten die hij heeft moeten leveren. Dagen lang hebben die twee, op eerbiedige afstand van elkaar, rond het huis gezworven en soms ook in onze bijkeuken. De geurvlaggen waren aan het begin van de straat te ruiken. Onnodig te vermelden dat onze salonkater Blanco, die om puur medisch-technische reden zelf niet van het vaderschap kan worden beticht, zich wijselijk niet liet zien.
Vanmorgen werd ik met een schok wakker, ik zat meteen rechtop in bed, het klamme zweet op mijn rug.
Het galmde door mijn hoofd.
‘Zo leuk, een nestje kleine poesjes.’
‘Hoeveel zouden het er worden.’
‘Ik denk vier.’
‘We zijn er al drie zeker kwijt, twee aan de juf en één aan een meisje uit de klas.’
‘Zou ze wel een goede moeder worden?’
‘En is onze Blanco dan stiefvader of oom?’
Jaren en jaren ervaring heb ik inmiddels en ik zou er bijna alsnog zijn ingestonken. Ik heb nog net de tegenwoordigheid van geest om een ochtendjas aan te trekken en storm opgewonden naar beneden waar ze met z’n drieën schijnheilig achter de cornflakes zitten.
‘Ik realiseer me nu opeens…’ stamel ik, enigszins buiten adem, ‘…jullie denken toch niet…’ gelukkig is het nog niet te laat ‘…zijn jullie soms van plan om zo’n klein poesje te houden?’ Ik kijk streng te kring van samenzweerders rond.
Nog een geluk dat ik een ochtendjas heb aangetrokken, want in je onderbroek blijft er niets van zo’n pose over, sportclub of niet.
‘Daar komt dus helemaal niets van in, dat zal niet gaan gebeuren, dat wil ik per se niet hebben.’
‘O, jawel papa, dat is nou juist zo leuk.’
‘We hebben hier te maken met een moeder die zelf nauwelijks de kattenbak weet te vinden en die zouden wij een jonkie willen laten opvoeden? Zeg maar dag met je handje tegen het interieur. Geen sprake van.’
‘Ach toe nou. Twee of drie maakt toch ook niets uit.’
‘Dat is het verschil tussen een kattenrijk gezin en een asiel. Ik ben tegen. Veto.’
‘Dat is een hele leuke naam voor het kleintje, papa.’
Er kunnen nu weddenschappen worden afgesloten over de afloop van deze affaire.
