Een uitgave van mats bv ©
WEER ALLEEN
Jaargang XIII, 8
Ik ben weer moederziel alleen. Ruim vóór het ochtendgloren zijn ze vertrokken, mijn dierbaren, samen met een vriendin en haar zoon. Naar ergens diep in Frankrijk, om te skiën. Waar het precies is, weet ik niet, maar ze zijn wel veilig aangekomen. Dat is het vreemde van de mobiele tijd: ze klinken alsof ze naast je staan, of alsof ze thuis met het eten zitten te wachten terwijl jij onderweg bent in de auto, of alsof ze in Australië zitten. Vroeger was je waar de telefoon stond. Mijn zoon is onderweg een beetje misselijk geweest, maar verder verliep de reis voorspoedig.
Hoewel ik al vroeg op kamers ben gegaan, en relatief laat met haar ben gaan samenwonen en het al dat derde keer is dat ze zonder mij op wintersport gaan betwijfelt mijn vrouw of ik het redt. Als de kinderen nou nog bij mij waren geweest, had ze nog minder zorgen gehad, want dan weet ze wel dat mijn verantwoordelijkheidsgevoel het altijd zal winnen. Maar als ik alleen ben worden de nachten dieper en de ochtenden later. Ik groei met mijn ongeschoren baard vast aan het toetsenbord van mijn computer. Fles whisky op tafel. Eten wordt bezorgd of is anderszins fast, vet en ongezond. De films op tv steeds ongezinsvriendelijker. Vuilnis stapelt zich overal op.
Het is zo geregeld dat onze werkster twee keer komt tijdens de afwezigheid van mijn gezin; kan ze meteen vast aan de voorjaarsschoonmaak beginnen. Onze nieuwe werkster is een leuke, jonge en enthousiast verschijning en daaruit alleen al blijkt dat mijn vrouw zich geen enkele zorg maakt over dat andere cliché van een-man-een-week-alleen. Heb ik ook nooit aanleiding toe gegeven. Zou niet durven of willen.
Omdat ik natuurlijk toch een echte vent ben heb ik nog wel even geprobeerd het stereotiep uit te hangen bij een vriend. Beelden geschetst van mijzelf boerend op de bank met de broekriem los. Pizza, chips en bier. En na een volstrekt onbeduidende wedstrijd op televisie, inclusief langdradig commentaar, nog even de stad in, kroegenlopen. Diep in de nacht thuis of helemaal niet. Het werkt toch niet meer voor een man van mijn leeftijd; ik word in mijn gezicht uitgelachen.
Ze bellen natuurlijk elke dag. Dat ze op snowboard-les zitten, dat het gezellig is, dat het de hele dag heeft gesneeuwd en dat ze me missen.
‘En mis jij ons ook een beetje,’ vraagt mijn vrouw alsof ze het antwoord al weet.
Ik vertel in geuren en kleuren over het leuke gesprek met kopje koffie en een koekje en veel spraakverwarringen dat ik heb gehad met onze leuk, jonge, frisse interieurverzorgster. Beetje teasen, beetje spannend houden, de relatie.
‘Hoe was je macaroni met gehaktballetjes,’ vraagt ze langs haar neus weg.
Ze kan niet weten dat ik inderdaad een beetje buikpijn heb omdat ik gisteren toch een keer te veel heb opgeschept; zo vaak krijg ik dat niet. Vanavond dus een maaltijdsalade en morgen misschien wel een sapvastendag.
Het is toch niet spannender dan mijn zoon het samenvat: ‘Het is gezellig, maar we missen je wel en dus hebben we ook iets om ons op te verheugen.’
