Een uitgave van mats bv ©

WINNEN OF VERLIEZEN

Jaargang X, 35

Omdat ik zelf natuurlijk het goede voorbeeld moet geven, ben ik enigszins tegen heug en meug naar de sportschool geweest. Ook al is het uitslaapzondagmorgen. Eigenlijk moet je tegenwoordig fitness zeggen, maar daar krijg ik toch niet meer heug noch meug van. Voorlopig hou ik echter nog vol omdat de tevredenheid met mezelf achteraf altijd nog groter is dan mijn frisse tegenzin vooraf. Bovendien wil mijn vrouw niet weten wat er met mijn taille zou gebeuren als er niet twee à drie keer per week tegenwicht werd geboden aan mijn biertje op zijn tijd.

Maar na zo’n uitputtende sessie moet ik altijd geruime tijd uitpuffen en zwaar douchen, dus vandaar dat ik me wat laat meld op de publieke tribune van de tennisclub van mijn kinderen waar het jaarlijkse jeugdtoernooi plaatsgrijpt. Ik val midden in de heren- c.q. jongetjes-dubbel wedstrijd met mijn zoon en een vriendje aan de ene kant van het net. Mijn dochter en haar vriendin doen blijkbaar de puntentelling, want die zitten samen op de hoge scheidsrechterstoel. Maar ik zie ook een vader van de tegenpartij langs de kant om een oogje in het zeil te houden. En de allerbeste garantie dat er niet vals wordt gespeeld, mijn vrouw, houdt het dan ook nog eens vanaf de tribune in de gaten. Mijn zoon en zijn maat walsen over hun tegenstanders heen, 4-0, 4-0. De tegenstandertjes zijn aanzienlijk jonger en komen dan ook nauwelijks boven het net uit en achteraf hoor ik van een van hun vaders dat het hun eerste wedstrijd was. Overmacht voor het organiserend comité waarschijnlijk, die binnen het wedstrijdschema geen gelijkwaardige tegenstanders konden vinden. De vader die ik spreek, maalt er niet om. Tenminste dat zegt hij. ‘De jongens hebben het leuk gevonden.’

‘Vier-nul, vier-nul, papa,’ komt mijn zoon na afloop opgetogen melden.

‘Ja maar ze speelden wel tegen kleintjes,’ meent het vriendinnetje van mijn dochter te moeten opmerken. Dan heb ik al van mijn vrouw gehoord dat de tegenstanders van haar en mijn dochter ook niet bepaald toekomstige Wimbledon-winnaars waren.

Misschien had ik mijn zoon ook wel relativerend willen toespreken, zoiets als ‘kun je wel tegen die ukkies?’, maar door deze opmerking denk ik daar opeens heel anders over. Dan bedenk ik opeens dat deze jongen ook wel eens aan de verkeerde kant van het wedstrijdschema heeft gestaan en dat hij bij eerdere toernooien zelf regelmatig kansloos van de baan geveegd is. En dan zeiden wij na afloop natuurlijk ook manmoedig dat we het leuk hadden gevonden en dat het altijd gaat om het meedoen en niet om het winnen.

Maar je wil ook wel eens aan de andere kant van het net staan.

Dus ik kan wel begrijpen als hij zegt: ‘Misschien waren het wel kleintjes, maar tóch, hè papa, maar tóch.’

‘Zo is dat!’ zeg ik. ‘Trouwens, meiden, hoe hadden jullie gespeeld?’

‘Vier-één, vier-twee,’ zegt mijn dochter eerlijk. Dat lolletje gunt ze haar broer dan nog wel.