Een uitgave van mats bv ©

ZATERDAG

Jaargang XII, 20

Het is zaterdag en ik word uit gewoonte op kantoor-uur wakker. Of misschien zijn het de pijpenstelen van de regen die tegen het raam van de slaapkamer tikken. Even dat ouderwetse gevoel van weekendgelukzaligheid. Regen op zaterdag betekent: niet wandelen of fietsen, niet shoppen, maar hooguit boodschappen en geen klussen in de tuin, eventueel wat karweitjes binnenshuis, maar dat mag geen naam hebben, want de meeste schilderijen hangen nog. Ledigheid en luiheid.

Naast me de vertrouwde warmte van mijn echtgenote. Tevreden brommend als een beer in zijn winterslaap, draai ik me nog eens lekker om. Maar dan plant de vertrouwde warmte naast me een venijnige elleboog in mijn ribben.

‘Opstaan, schat, de jongen heeft een hockeytoernooi.’

Door de ochtendnevelen zie ik op de wekker dat het zeven uur is. Ik ben wakker en daar laten we het voorlopig maar even bij. Zwijgend nuttigen mijn zoon en ik het ontbijt. Uit pure berekening breng ik mijn vrouw een kopje koffie op bed. Wie het eerst op is, brengt de ander een kopje koffie, wil de traditie in ons huwelijk. En drie of vier keer per jaar is het dus mijn beurt. Moederdag en verjaardag niet eens meegerekend.

Ik wil de jongen niks kwalijk nemen, maar dit had niet gehoeven. Gisteravond belde zijn coach. Ze had een paar vacatures in een team dat een toernooitje moest spelen. Wel om 8 uur verzamelen. Zijn officiële competitie-wedstrijd was pas om half twee, dus als hij zin had…? Hoewel het gisteravond ook al regende, had hij zin.

‘Het is juist lekker om te hockeyen als het regent, papa,’ zegt de jongen, die zich voor de rest toch vrij normaal ontwikkelt. Als ik hem om acht uur op de club aflever, staan een paar van zijn maten zich al warm te spelen in de stromende regen. Hij gooit zijn tas met droge reserve kleren onder een boom en voegt zich enthousiast bij het groepje.

Ik druip af. Als assistent-hulp-coach, heb ik geen wedstrijd gemist, uit of thuis. Steeds het juiste enthousiasme ten toon gespreid, altijd positief commentaar vanaf de lijn gebruld, nooit – nou ja, bíjna nooit – iets gezegd van scheidsrechterlijke dwalingen, alle nederlagen, ook de onverdiende, manmoedig gedragen. Maar mijn grens ligt bij dit toernooitje op vrijwillige basis. De spreekwoordelijke druppel, om in de sfeer te blijven.

Omdat ik toch al wakker en nat ben, doe ik in de tussentijd de zaterdagse boodschappen. Om half twee ben ik natuurlijk weer present langs de lijn. Ik zie de wedstrijd in de laatste vijf minuten verloren gaan voor het team van mijn zoon. Hij mist een opgelegde kans. En opnieuw wordt pijnlijk duidelijk dat de Nederlandse Hockey bond een scheidsrechtersprobleem heeft. Dat hebben we mijn vrouw nog niet willen vertellen; ze zou zich er ongetwijfeld mee gaan bemoeien.

Na de wedstrijd vlug de tegenstanders feliciteren en de scheidsrechter negeren en meteen de auto in naar de tennishal. Laatste indoortraining voor de zomercompetitie. We zijn al aan de late kant, maar als hij zich in zijn droge tennisplunje heeft gehesen, meldt de jongen zich met overtuigend enthousiasme bij het net.

De middag loopt al op zijn einde als we ons weer thuis melden voor een dampend kopje thee met koek. Rode konen en de vochtige geur van buitenlucht.

‘Ja,’ zegt mijn vrouw, terwijl ze mijn zoon bewonderend, verwarmend en opdrogend toelacht, ‘en dan heeft hij gisteren ook nog zijn verkering uitgemaakt.’

Ik vraag me soms af hoe de jongen er tussendoor ook nog in slaagt om met ongeveer een centimeter per maand te groeien.