Een uitgave van mats bv ©
ZIELIG
Jaargang XII, 42
Binnen ons dierenpark heeft een drama plaatsgegrepen. Een van onze vele katten heeft blijkbaar geprobeerd een auto te beletten onze eenrichtingsstraat in te rijden, zoals hij ons vanwege de verkeersveiligheid wel vaker moet hebben zien doen. De auto bleek sterker. Met uiterste krachtinspanning heeft het dier zich naar huis gesleept en is achter de keukendeur gaan liggen. Daar treft mijn vouw hem aan als we ’s avonds thuiskomen. Het ziet er niet best uit, het beest kan niet meer op z’n poten staan en kermt en kreunt hartverscheurend. Het was niet bepaald mijn idee om een dierenpension te beginnen, maar zelfs ik zou dan nog eerder een goed ander tehuis voor ze zoeken dan ze de drukke rondweg op te sturen.
Dit is zielig.
Mijn vrouw, normaal gesproken zo kordaat als een kleuterleidster op schoolreis, staat er ontredderd bij en snottert vrijelijk. Onze zoon, normaal gesproken zo stoer als een padvinder op jamboree, trekt een paar grimassen en barst dan in tranen uit. Tussen zijn snikken door probeert hij naar mij te lachen.
‘Ik vind het gewoon hartstikke zielig, papa,’ probeert hij zich te excuseren.
‘Daar mag je gerust om huilen, hoor jongen,’ zeg ik, normaal gesproken zo sentimenteel als een Sissi-film. Wij doen niet mee aan die een-man-mag-niet-huilen-flauwekul. Ikzelf schiet al vol als ik op het journaal een contingent Afghanistan-gangers afscheid zie nemen van het thuisfront. Als anti-militarist, nota bene.
‘Dat het nou net Veto moet zijn,’ jankt Elma, volledig onredelijk want juist zij vindt normaal gesproken ‘alle poesjes even lief’.
Veto, daar hebben we het dus over, is destijds door mij zo genoemd omdat ik toen nog dacht dat mijn mening over de aanwas van onze dierentuin überhaupt ter zake zou doen. Binnen het Heffels-asiel heeft dit uitvretertje zich een plekje verworven in de kleine hartjes van mijn gezin. Niet bij mij. Deze kat heeft van het begin af aan een spontane hekel aan mij en dat steekt hij niet onder stoelen of banken. Ik hoef maar even ‘boe’ te zeggen en hij zit in de hoogste boom bij onze buren. Aan mij ligt dat niet, ik probeer hem voortdurend aan mijn ‘boe’ te laten wennen, maar hij blijft wegrennen.
Het is inmiddels laat in de avond, maar mijn vrouw heeft een dierenartspraktijk gevonden die avonddienst heeft. Pas later zal duidelijk worden wat dat voor de gehanteerde tarieven betekent.
Mijn vrouw laadt het gekreukelde katje in en gaat op pad. ‘Hou er voorzichtig rekening mee dat mama alleen terugkomt, jongens,’ probeer ik realistisch te zijn. Gebrul.
Mijn vrouw komt niet alleen terug, maar met kat, een röntgenfoto van de op twee plaatsen gebroken poot, een torenhoge rekening, een set pijnstillers en een lijst instructies. De kat moet in quarantaine, in een kooi en elke dag een paar pillen die ik er natuurlijk in moet proppen, want aan mij heeft hij toch al een hekel.
Tot ieders verbazing redt hij het en inmiddels steekt hij alweer de straat over, natuurlijk zonder goed links-rechts-links te kijken. Alleen als ik ‘boe’ zeg, begint hij opeens weer buitengewoon aanstellerig met zijn pootje te trekken.
